(OVERGENOMEN VAN kERKNET.BE, 19 MEI 2021)

In zijn catechese over het gebed tijdens de algemene audiëntie van woensdag 19 mei 2021 sprak de paus de moeilijkheden bij het bidden.

Geliefde broeders en zusters, goedendag!

In navolging van de Catechismus van de Katholieke Kerk (CKK) verwijzen we in deze catechese naar de levensechte ervaring van het gebed. We willen stilstaan bij vele bekende moeilijkheden die moeten onderkend worden om ze te kunnen overstijgen. Bidden is niet makkelijk. Bij het bidden doen zich veel moeilijkheden voor. Men moet ze kennen, benoemen en overstijgen.

Verstrooidheid

Voor wie bidt, is verstrooidheid het eerste probleem (cf. CKK, 2729). Zodra we beginnen te bidden gaat de geest zwerven, hij zwerft door heel de wereld. Je hart is daar, je geest is daar en daar is … de verstrooidheid bij het gebed. Gebed gaat vaak samen met verstrooidheid. Het is inderdaad zo dat de menselijke geest het moeilijk heeft om langere tijd stil te staan bij één enkele gedachte. Allen ervaren wij de voortdurende werveling van beelden en verbeeldingen in een nooit eindigende beweging. Dat overkomst ons zelfs tijdens het slapen. En allemaal weten we dat het niet goed is gevolg te geven aan deze wanordelijke neiging.

Discipline

De strijd om de aandacht te verwerven en te behouden betreft niet slechts het gebed. Als we geen voldoende graad van aandacht bereiken, kunnen we niet met vrucht studeren en ook niet behoorlijk werken. Atleten beseffen dat wedstrijden niet alleen gewonnen worden door training maar ook door mentale discipline. Vooral door het vermogen aandachtig te blijven en de aandacht scherp te houden.

Waakzaamheid

Verstrooidheden zijn niet fout, maar moeten wel bestreden worden. In onze geloofsschat is er een deugd die vaak vergeten wordt maar voortdurend aanwezig is in het Evangelie. De naam is: waakzaamheid. Vaak zegt Jezus: Waakt. Bidt. De catechismus verwijst er uitdrukkelijk naar in zijn onderricht over het gebed (cf. n. 2730). Vaak roept Jezus de leerlingen op tot een sober leven vanuit de zekerheid dat Hij, vroeg of laat, zal terugkeren, zoals een bruidegom na de bruiloft of een baas na een reis. Omdat we dag noch uur van zijn wederkomst kennen, zijn alle ogenblikken van ons leven kostbaar en mogen niet verloren gaan door verstrooidheid. Op een voor ons ongekend ogenblik zal de stem van onze Heer weerklinken. Zalig de dienaren die Hij op dat ogenblik werkzaam aantreft, begaan met wat echt van belang is. Ze hebben zich niet laten verstrooien door in te gaan op elke aantrekkelijkheid die in hun geest opkwam. Ze hebben getracht de juiste weg te volgen door het goede te doen en hun eigen taak te vervullen. Verstrooidheid is dit: verbeelding die wervelt, wervelt, wervelt … De heilige Theresia noemde deze wervelende verbeelding, die wervelt tijdens het gebed, kletskous in huis. Het is als een zottin die je doet draven, draven … Door aandacht moeten we haar stoppen en opsluiten.

Dorheid

De tijd van dorheid vraagt een andere aanpak. De catechismus geeft volgende beschrijving: De dorheid maakt deel uit van het inwendig gebed, waarin aan het hart iedere smaak voor gedachten, herinneringen en gevoelens, zelfs spirituele, ontzegd wordt. (N. 2731). Dorheid doet denken aan Goede Vrijdag, aan de nacht en aan Stille Zaterdag, telkens momenten dat Jezus er niet is, want Hij is in het graf. Jezus is dood: we zijn alleen. Dat is kerngedachte van de dorheid. Vaak onderkennen we de redenen van de dorheid niet. Ze kan van onszelf afhangen, maar ook van God die bepaalde toestanden van uitwendig of inwendig leven toelaat. Of, soms kan het een kwestie zijn van hoofdpijn of van maagpijn die verhindert tot gebed te komen. Vaak kennen we de redenen niet echt. De meesters van het geestelijke leven beschrijven de geloofservaring als een voortdurende afwisseling van momenten van troost en momenten van droefheid. Ogenblikken waarop alles makkelijk is terwijl andere momenten getekend worden door een grote zwaarte. Vaak vragen we, als we een bekende ontmoeten, Hoe gaat het? – Vandaag ben ik down. Vaak zijn we down, wat zeggen wil dat we gevoelloos zijn, troosteloos; we hebben het moeilijk. Dat zijn de grijze dagen, en die zijn er in overvloed in het leven. Gevaarlijk is het wanneer men een onberoerd (grijs) hart heeft. Dat is erg. Dan kan men niet bidden. Met een onberoerd hart kan men geen troost voelen! Geestelijk dorheid kan men met een onberoerd hart niet verdragen.

Het hart moet open en lichtend zijn zodat het licht van de Heer kan binnenkomen. En als het niet binnenkomt, moet men hoopvol wachten. Maar het niet met grijsheid afsluiten.

Lusteloosheid

Nog een verschillend gegeven is de lusteloosheid, een ander gebrek, een andere kwaal die een echte bekoring is tegen het gebed en, meer algemeen, tegen het christelijke leven. Lusteloosheid is een vorm van depressiviteit die te wijten is aan de verslapping van de ascese, aan de vermindering van de waakzaamheid, aan de verwaarlozing van het hart.” (CKK, 2733). Het is een van de zeven hoofdzonden omdat ze, gevoed door verwaandheid, kan leiden tot de dood van de ziel.

Volharding

Hoe moeten we omgaan met deze opeenvolging van enthousiasme en ontgoocheling? We moeten leren om steeds op weg te blijven. De echte vooruitgang in het geestelijke leven bestaat niet in het vermenigvuldigen van de extase, maar in de bekwaamheid om te volharden op moeilijke ogenblikken: ga verder, ga verder, ga verder … En als je vermoeid bent, stop dan even en ga verder. Met volharding. Denken we aan de parabel van Sint-Franciscus over de volmaakte blijdschap: de dapperheid van een broeder bestaat niet in oneindig geluk dat uit de hemel valt, maar in het volhardend verder gaan, ook wanneer dat niet wordt opgemerkt, ook wanneer men miskend wordt, ook wanneer de smaak van het begin verdwijnt. Alle heiligen zijn door dit duistere dal gegaan. We worden niet geschokt door hun verslag over nachten van lusteloos gebed, zonder zin beleefd. We moeten leren zeggen: Ook al lijk Jij, mijn God, alles in het werk te stellen zodat ik ophoud te geloven, toch blijf ik tot Je bidden.

Gelovigen doven nooit het gebed!

Het lijkt soms op de situatie van Job die niet aanvaardt dat God hem onrechtvaardig behandelt, hij protesteert en daagt God voor het gerecht. Maar, vaak is protesteren bij God een vorm van gebed of, zoals een oud dametje zei: Boos zijn op God is ook een vorm van bidden. Boosheid van het kind tegen de vader is vaak een wijze om de verhouding tot de vader te beleven. Men wordt boos precies omdat men Hem als ‘vader’ erkent.

Het waarom?-gebed

En ook wij, die veel minder heilig en geduldig zijn dan Job, weten dat God ons zal antwoorden uiteindelijk, aan het einde van deze tijd van troosteloosheid, nadat we naar de hemel geschreeuwd hebben met vele keren waarom? Het waarom?-gebed niet vergeten. Het is de bede van kinderen wanneer ze de dingen niet begrijpen. De psychologen noemen dat de leeftijd van het waarom omdat het kind aan papa vraagt: Papa, waarom …? Papa, waarom …? Maar laten we wel wezen: een kind hoort het antwoord van papa niet. Papa begint te antwoorden en meteen heeft het kind een ander waarom. Het wil slechts de aandacht van de vader op zich vestigen. Wanneer wij een beetje boos worden op God en waarom beginnen zeggen, dan zijn we bezig het hart van onze Vader te vestigen op onze ellende, op onze moeilijkheden, op ons leven. Maar natuurlijk, heb de moed aan God te zeggen: Maar waarom …? Want soms is het goed zich wat boos te maken. Het helpt ons de verhouding te beleven die wij met God moeten hebben. De verhouding van zoon en Vader, van dochter en Vader.

Ook onze meest harde en bittere taal zal God met de liefde van een vader aanvaarden. Hij zal ze als een gebaar van geloof beschouwen, als een gebed.